Taalniveautoets Nederlands
Wat past het beste bij sla?
    slagroom
    groente
    restaurant
 
Welk woord past NIET?
    bon
    rijst
    kassa
    verkoopster
 
Hallo, mijn naam is ....
    uit Duitsland.
    aan de universiteit.
    Angela de Bruin
 
Wat hoort bij boterham?
    tomaat
    brood
    taart
 
Welk woord past NIET?
    krentenbollen
    sokken
    croissants
    een half gesneden wit
 
Welk woord past NIET?
    shampoo
    aspirines
    mandarijntjes
    een flesje parfum
 
Kies het juiste woord
Voorbeeld: De SNELSTE auto. (snel)
  hard  
Jullie praten dan de buren.
  leuk  
Ik vind Piet de van mijn collega's.
  duur  
Wie heeft het horloge?
  goed  
Mijn broer is in Nederlands dan ik.
  veel  
Ik heb boeken dan c.d.'s.
Welke zin is correct?
Wat heb je vanochtend gegeten?
    Ik heb gegeten vanochtend heerlijke croissants.
    Ik vanochtend heerlijke croissants heb gegeten.
    Ik gegeten heb vanochtend heerlijke croissants.
    Ik heb vanochtend heerlijke croissants gegeten.
 
Kies de goede structuur.
    Woont Stephan in Amersfoort?
    In Amersfoort Stephan woont?
    Stephan in Amersfoort woont?
 
Kies de goede structuur.
    Studeert zij aan de UvA?
    Zij aan de UvA studeert?
    Aan de UvA zij studeert?
 
Kies de goede structuur.
    Wij een dochter en een zoon hebben.
    Hebben wij een dochter en een zoon.
    Wij hebben een dochter en een zoon.
 
...... je een huis gekocht?
    Heb
    Koop
    Ben
 
.................. jullie een mooie film gezien?
    Worden
    Hebben
    Zijn
 
...... jullie naar de film geweest?
    Zijn
    Worden
    Hebben
 
Wij ...... een broodje kaas gegeten.
    mogen
    kunnen
    hebben
 
.................. je naar Amerika gegaan?
    Word
    Ben
    Kun
 
Kies de juiste prepositie.
U kunt kiezen uit: aan - in - naar - op - voor
Ik woon Amsterdam.
Henk gaat de cursus.
Joke woont een eiland.
Hij loopt niet achter, maar mij.
Ik denk mijn tante in Zwitserland.