Taalniveautoets Nederlands
In welke zin staan de woorden in de goede volgorde?
    Zal je bellen ik zodra ik iets weet.
    Ik je zal bellen zodra ik iets weet.
    Ik zal je bellen zodra ik iets weet.
 
Wij ..... niet lang gefietst.
    hebben
    zijn
    waren
 
Hij begint...
    om te schreeuwen
    schreeuwen
    te schreeuwen
 
We dachten daarbij ......... een huis uit het begin van de vorige eeuw.
    in
    aan
    naar
    uit
 
... de toekomst wil ik in Amerika gaan wonen.
    in
    bij
    voor
    met
 
In welke zin staan de woorden in de goede volgorde?
    Sinds heeft ze lenzen, ziet ze beter.
    Sinds heeft ze lenzen, ze ziet beter.
    Sinds ze lenzen heeft, ziet ze beter.
 
Hoe laat ....... hij naar het Vondelpark gegaan?
    hebt
    heeft
    is
 
Wanneer ...... jij met de trein naar huis gegaan?
    heb
    bent
    ben
 
Welke zin is goed? Ik heb mijn vakantie in Frankrijk
    doorgebracht
    doorbracht
    bracht door
 
Is dat de vrouw ...... je vaak belt?
    dat
    die
    haar
    Ik weet het niet.
 
In welke zin staan de woorden in de goede volgorde?
    Vergeleken met gisteren het is nu warm weer.
    Vergeleken met gisteren is het nu warm weer.
    Vergeleken met gisteren is nu het warm weer.