Level Assessment Test Nederlands
We hebben een heerlijke vakantie in ....
    spoor
    Spanje
    werk
 
Mag ik van u de ..................?
    tafelkleed
    menukaart
    niet saus
    geen thee
 
Wat hoort bij biefstuk?
    vlees
    vis
    kip
 
Welk woord past NIET?
    snoep
    melk
    kaas
    yoghurt
 
Wat hoort bij groenteboer?
    school
    trein
    komkommer
    paard
 
Ik moet een broodje.....
    eten
    bellen
    gaan
 
Kies het juiste woord
Voorbeeld: De SNELSTE auto. (snel)
  hard  
Jullie praten dan de buren.
  leuk  
Ik vind Piet de van mijn collega's.
  duur  
Wie heeft het horloge?
  goed  
Mijn broer is in Nederlands dan ik.
  veel  
Ik heb boeken dan c.d.'s.
Welke zin is correct?
Waarom hebben jullie buikpijn?
    We hebben gegeten vandaag te veel.
    We hebben vandaag te veel gegeten.
    We gegeten hebben vandaag te veel.
    We vandaag te veel gegeten hebben.
 
Wat hebben jullie gisteren gedaan?
    We gisteren lang hebben gelopen.
    We hebben gisteren lang gelopen.
    We gelopen hebben gisteren lang.
    We hebben gelopen gisteren lang.
 
Kies de goede structuur.
    Zij werkt in een winkel.
    Werkt zij in een winkel.
    Zij in een winkel werkt.
 
Kies de goede structuur.
    Woont Stephan in Amersfoort?
    In Amersfoort Stephan woont?
    Stephan in Amersfoort woont?
 
Wij ...... een broodje kaas gegeten.
    mogen
    kunnen
    hebben
 
.................. je een cadeau gehad?
    Word
    Heb
    Is
 
.................. je naar Amerika gegaan?
    Word
    Ben
    Kun
 
.................. jullie een mooie film gezien?
    Worden
    Hebben
    Zijn
 
...... jullie naar de film geweest?
    Zijn
    Worden
    Hebben
 
Kies het juiste adjectief.
Voorbeeld: Dit huis is erg OUD.
Een groot huis in het centrum is erg .
Dit is een ring, ik kan hem niet betalen.
Het antwoord op de vraag is , je bent geslaagd!
Hoeveel antwoorden weet jij?
Deze auto rijdt , hij rijdt 230 kilometer per uur.