Level Assessment Test Nederlands
Kies het juiste werkwoord.
iets op je geweten hebben
    je snel schuldig voelen
    je gemakkelijk dingen herinneren
    iets misdaan hebben
 
Onder geen enkele voorwaarde wil hij zijn gereserveerde plaats ...
    afstaan
    aanstaan
    instaan
 
Sommige diersoorten planten zich uitstekend voort in gevangenschap. ... de bever. Kijk maar naar alle kleintjes.
    De oorzaak ligt bij
    In dit geval spreken we van
    Dat is het geval bij
 
Nee! Dat meen je niet. Dat kun je me niet ....
    afdoen
    opdoen
    aandoen
 
De vluchtelingen werden tijdelijk in een sporthal ...
    uitgebracht
    opgebracht
    ondergebracht
 
De pijn gaat wel over; je moet je niet zo ...
    uitstellen
    opstellen
    aanstellen
 
Ik heb een hekel aan dat domme geklets van hem. Ik kan dat niet ....
    toestaan
    uitstaan
    instaan
 
Het lijkt me verstandig niet op deze opmerking ....
    na te gaan
    onder te gaan
    in te gaan
 
Het slachtoffer is op akelige wijze ...
    uitgebracht
    opgebracht
    omgebracht
 
De radio stond helemaal verkeerd ....; geen wonder dat er geen geluid uitkwam.
    afgesteld
    voorgesteld
    uitgesteld
 
Ik was zo verbouwereerd, ik kon geen woord meer ....
    inbrengen
    ombrengen
    uitbrengen
 
ergens mee in je maag zitten
    iets als een probleem zien
    te veel gegeten hebben
    verliefd zijn