Taalniveautoets Nederlands
Hallo, mijn naam is ....
    uit Duitsland.
    aan de universiteit.
    Angela de Bruin
 
Wat hoort bij biefstuk?
    vlees
    vis
    kip
 
Wat hoort bij docent?
    huizen
    brood
    school
    telefoon
 
Wat past het beste bij nagerecht?
    soep
    boterham
    ijs
 
Ik woon in een appartement met drie grote ....
    buren
    kamers
    vloeren
 
Wat hoort bij boterham?
    tomaat
    brood
    taart
 
In welke winkel kun je dit kopen?
Voorbeeld: gehakt - bij de slager
Waar koop ik afwasmiddel?
Waar koop ik vers brood?
Waar koop ik paracetamol?
Waar koop ik een spijkerbroek?
Waar koop ik een woordenboek?
Welke zin is correct?
Wat doen jullie morgen?
    Morgen we bij het appartement blijven.
    Morgen we blijven bij het appartement.
    Morgen blijven we bij het appartement.
 
Kies de goede structuur.
    Studeert zij aan de UvA?
    Zij aan de UvA studeert?
    Aan de UvA zij studeert?
 
Kies de goede structuur.
    Zij werkt in een winkel.
    Werkt zij in een winkel.
    Zij in een winkel werkt.
 
Wat hebben jullie gisteren bekeken?
    We hebben gisteren Delphi bekeken.
    We hebben bekeken gisteren Delphi.
    We bekeken hebben gisteren Delphi.
    We gisteren Delphi bekeken hebben.
 
Wij ...... een broodje kaas gegeten.
    mogen
    kunnen
    hebben
 
...... jullie naar de film geweest?
    Zijn
    Worden
    Hebben
 
.................. je een cadeau gehad?
    Word
    Heb
    Is
 
.................. je naar Amerika gegaan?
    Word
    Ben
    Kun
 
.................. jullie een mooie film gezien?
    Worden
    Hebben
    Zijn
 
Kies de juiste prepositie.
U kunt kiezen uit: achter - met - tegen - op - tussen
De bloemen staan tafel.
We hebben een mooie tuin het huis.
We zetten de fiets de muur.
We hebben een badkamer bad.
Mijn paspoort ligt de papieren.